Het hele verhaal achter 'tiens', 'voilà' en 'bon'
Wie weleens in Frankrijk is geweest of er de taal een beetje van spreekt, heeft het vast gehoord: 'tiens', 'voilà', 'bon', 'bref' – die kleine tussenwoorden die overal opduiken. Ze lijken op het eerste gezicht vluchtig, misschien zelfs overbodig. Maar wie beter luistert, hoort dat die woorden veel meer doen dan je denkt.
Geen loze vulling – maar emotie, richting en verbinding
In het begin viel het me nauwelijks op. Een buurvrouw die een zak courgettes aanreikt met een opgewekte 'tiens!', een ober die met een bord kaas verschijnt en zonder pauze ‘et voilà’ zegt, alsof dat vanzelf spreekt. En aan het eind van een gesprek, een kort ‘bon…’ gevolgd door stilte, of het omkeren van de schouders. Pas na een tijdje begon ik door te krijgen dat dit geen stopwoorden zijn. Het zijn signalen. Kleine sociale schakelpuntjes.
‘Tiens’, bijvoorbeeld, klinkt als ‘hier’ of ‘alsjeblieft’, maar is meer dan een handreiking. Het draagt verrassing in zich ('tiens, je suis surpris de te voir!'), maar ook aandacht. Je zegt het niet tegen jezelf, je zegt het omdat er iemand ís – een ander. Net als onze 'kijk' of 'hé', maar dan trefzekerder. Je kunt er iets mee aanbieden, een conversatie openen, of een kleine wending aangeven.
'Voilà' – niet zomaar 'alsjeblieft'
‘Voilà’ is een van die woorden waarvan Nederlanders vaak denken: oh ja, dat is ‘alsjeblieft’ als je iets geeft. Klopt, een beetje. Maar het gaat verder. Fransen gebruiken ‘voilà’ om iets af te ronden, iets aan te wijzen, zelfs om een punt te maken in een gesprek. Het heeft iets van: “kijk, dit bedoel ik dus.”
In de supermarkt hoorde ik onlangs iemand aan de kassa zeggen: ‘Et voilà, j'en ai marre, c'est toujours la même chose ici.’ – Niet in de zin van iets overhandigen, maar als conclusie. Voilà is zowel eindpunt als uitroepteken.
In een gesprek geeft 'voilà' richting. Het sluit iets af, of zet het juist in de verf. Het zegt letterlijk: daar is het. Maar figuurlijk: begrijp je me nu?
Een gesprek zonder 'bon' is als koffie zonder lepel
En dan is er nog ‘bon’. Je hoort het overal, op allerlei plekken waar je als Nederlander eerder zou stilvallen, of een zin met ‘dus’ begint. Fransen gebruiken ‘bon’ om te schakelen tussen onderwerpen, om iets af te ronden, of zelfs om tijd te kopen.
Een vriend zegt iets over zijn werk. Ik knik. Hij zegt: ‘Bon… on verra.’ En daarmee is het onderwerp afgerond. Niet met een duidelijke conclusie, maar met een luchtige overbrugging. In een ander geval begint iemand een verhaal met: ‘Bon, quand j'étais petit…’ – een soort inleidende aftrap.
'Bon' is een soort verbale stoelrichting. Je hoort het ook net voordat mensen opstappen – met een zucht, een glimlach, of een geeuw: ‘Bon… on y va?’
'Bref' – en het vermogen om in te korten (zonder echt in te korten)
‘Bref’ is populair bij vertellers die voelen dat ze uitweiden, of bang zijn de draad te verliezen. ‘Bref, c’était pas si grave’, hoorde ik een oude man zeggen na een lang verhaal, dat nergens naartoe ging behalve naar het punt dat het allemaal wel meeviel. ‘Bref’ is dan niet alleen een verkorting, maar ook een zelfbewuste knipoog: ik weet het, ik hou op. Voor nu.
Het is zelfrelativering in één woord. Maar ook een stijlmiddel om je publiek bij de les te houden. Wie Frans spreekt maar ‘bref’ niet gebruikt, mist soms de schakel terug naar de kern.
Meer dan taal
Het fascinerende aan deze woorden is dat ze technisch gezien weinig betekenen, maar sociaal veel zeggen. Ze geven kleur aan hoe Fransen elkaar benaderen: indirect, met ruimte, maar wel in voortdurende afstemming. Er is altijd een ‘ton’, een nuance, een beweging. Daarin zit precies het verschil tussen de taal spreken en de taal léven.
Als je ze herkent – en zelf gaat gebruiken – merk je hoeveel vloeiender een gesprek kan aanvoelen. Niet per se grammaticaal correcter, maar menselijker. Fransen zeggen met één ‘tiens’ soms meer dan een vijfzinnenuitleg. En daar zit voor ons veel in te leren…