Ça caille! – Wintertaal op z'n Frans
Wie in Frankrijk de winter meemaakt, krijgt niet alleen te maken met kou en mist, maar ook met een bepaald soort taalgebruik dat je van de zomer simpelweg niet hoort. ‘Ça caille!’ is daar een perfect voorbeeld van. Losjes vertaald betekent het zoiets als: “Wat is het koud!”, maar de toon is grilliger, bijna mopperend, en tegelijk haast liefdevol over het ongemak. Zoals alleen de Fransen dat lijken te kunnen.
Geen gewone kou
Het Franse ‘cailler’ betekent eigenlijk “stollen” of “klonteren”, zoals melk dat doet als het zuur wordt. Als iemand dus ‘ça caille!’ roept, zegt hij letterlijk dat het weer aan het stollen is. Dat klinkt overdreven, maar als je vroeg in de ochtend in een vochtige Normandische stad op pad bent, snap je dat beeld meteen. Alles voelt klam en stil, alsof de wereld even is vastgelopen.
Waar wij in het Nederlands meestal zeggen dat het koud is – ‘koud joh!’ of ‘brr wat fris’ – trekken de Fransen het wat dramatischer open: ‘J’suis congelé’ (ik ben bevroren), of ‘il fait un froid de canard’, een uitdrukking die je pas begrijpt als je eenden ziet wegduiken in een vijver vol ijswater.
Il fait un froid de canard
Deze uitdrukking verdient wat aandacht, omdat hij regelmatig opduikt. Letterlijk: er is een eendenkou, wat weinig zinnig lijkt voor wie er geen context bij heeft. De oorsprong ligt vermoedelijk in de jacht: bij koud weer zouden jagers in het water op eenden wachten – een situatie die garant staat voor ijskoude voeten en klamme jachtpakken. Vandaar: une froide de canard.
Voor Fransen is dit soort taal geen toevoeging – het ís de realiteit. De kou wordt niet gemeten met graden, maar met beelden, referenties, emoties. Zo krijg je ‘un temps à ne pas mettre un chien dehors’ – weer waarbij je je hond nog niet buiten zou laten. Vertaald voelt dat als poëzie, maar in Frankrijk is het gewoon het weerbericht bij de bakker.
Een koude vol karakter – en humor
Frankrijk heeft, zeker buiten de grote steden, een rijke traditie van beeldende spreektaal. Waar een Nederlander zegt dat het guur is, doet een Fransman alsof hij uit een ijskelder is getrokken. Je hoort mensen over de markt struinen met opmerkingen als:
- J’ai les oreilles gelées – mijn oren zijn bevroren.
- On se les gèle – we vriezen onze ‘dingen’ eraf (licht grof, maar volkomen normaal).
- C’est la Sibérie! – het is Siberië hier!
In het zuiden is het ironisch bedoeld – daar zeggen ze het al bij vijf graden boven nul – maar hoe noordelijker je komt, hoe dichter bij serieus men het bedoelt.
Regionale warmte in winterwoorden
Wat me opvalt, is dat deze winteruitdrukkingen vaak ook iets warms hebben. Het zeuren over de kou wordt bijna een sociaal ritueel. Je klaagt samen, overdrijft samen. Een goede ‘ça caille!’ op de markt is een vorm van begroeting. Je deelt ermee: jij bent het ook aan het doorstaan, net als ik.
In sommige streken tref je zelfs lokale variaties. In de Savoie hoorde ik eens: on se pèle les miches – een eerder grofgezegde manier om te zeggen dat het écht koud is (‘we schillen onze billen af’). Niet chic, wel levendig – en eerlijk gezegd, treffender dan ‘min drie’.
Meer dan woorden – het wintergevoel in taal
Wat Franse wintertaal zo interessant maakt, is dat het niet alleen functioneel is. Het zegt niet alleen ‘het is koud’, maar ook: ‘ik ervaar iets’, ‘ik ben mens in dit weer’, zelfs: ‘ik wil dat jij voelt wat ik voel’. Dat maakt de Fransen niet per se gevoeliger, maar wel expressiever. Ze laten gevoelens de taal in glijden – en in de kou komt dat extra aan.
Dus ja, ‘ça caille!’ klinkt misschien grappig als je het voor het eerst hoort. Maar sta een paar minuten te wachten op een trein op een open perron in Dijon, en voor je het weet zeg je het zelf – met een zucht, als een local.