Waar kaas koning is: winterse volksfeesten in Frankrijk
Op een gure januaridag belandde ik bij toeval in het dorpje Trépot in de Jura. Voor de mairie stond een groepje mensen om een vuurkorf, met dampende bekers vin chaud in de hand. De geur van gesmolten kaas dreef uit een grote tent. Geen kerstmarkt meer, geen carnaval nog—maar dan, wat was dit? Iemand fluisterde: “C’est la fête du Mont d’Or.” Een feest voor... kaas dus. En niet zomaar eentje. De Mont d’Or, een zachte winterkaas uit de regio, werd hier gevierd alsof het oudjaarsavond was.
Een heuse hoofdrol voor kaas
In Nederland associëren we kaas zelden met feest. Misschien een borrelhap of een toastje tijdens een verjaardag. Maar dat een streekkaas het middelpunt is van een dorpsfeest? In Frankrijk is dat niet zo vreemd. Vooral in berggebieden—de Jura, de Savoie, delen van de Auvergne—bestaan tradities waarbij een kaas letterlijk op het podium staat. Vaak gaat het om stevige winterkazen: die worden in de herfst gemaakt en zijn in januari op smaak. Precies op tijd om midden in de koude maanden een feest los te peuteren.
In Trépot werd de Mont d’Or uitgedeeld met brood, gesmolten boven haardvuren. Lokale broederschappen in capes en petjes hielden toespraken over het belang van ‘hun’ kaas. Kinderen droegen kaasvormen in een optocht. Er werd gelachen, er werd gegeten. Het had iets aandoenlijks, maar ook iets dieps: dit was geen folklore voor toeristen. Er was amper een buitenstaander te bekennen.
Waarom juist in de winter?
Dat vraag ik mezelf elk jaar opnieuw af.
Het meest praktische antwoord: veel van deze kazen worden alleen in de winter gegeten. De melk is anders, de rijping gebeurt anders dan in de zomer. En: in de winter is het leven in deze berggebieden stiller. De inkomsten uit de zomermaanden zijn binnen, de koeien staan op stal. Tijd voor de gemeenschap om samen te komen.
Maar er zit meer achter. In sommige dorpen, zoals in het zuidelijke Cévennes-gebergte, vallen deze kaasvieringen samen met katholieke heiligenfeesten. Daar wordt bijvoorbeeld de Pelardon-kaas gezegend door een pastoor, als soort dankritueel voor het oogstseizoen. Kaas, geloof en gemeenschap zijn hier geen gescheiden werelden.
Lokale identiteit in een korst en een zuivelgeur
Wat me telkens opvalt, is hoe persoonlijk en regionaal deze feesten zijn. Niemand viert 'de Franse kaas' als concept. Alles draait om déze kaas, van déze bergen, met déze mensen.
Een vrouw in de Savoie vertelde me ooit: "Reblochon is niet gewoon lekker, Reblochon is wie wij zijn." En ze zei het zonder ironie. Dat zou in Nederland raar klinken: "Leerdammer is wie wij zijn"? Toch klopt het ergens wel. In Frankrijk zijn streekproducten een vorm van cultuur, zoals dialect of oude liedjes dat kunnen zijn. Ze duiden op herkomst, op verbondenheid, op weerbaarheid ook.
In dorpen waar weinig jongeren nog blijven, biedt zo'n feest iets tastbaars om trots op te zijn. Je ziet zestigers en tieners zij aan zij brood smeren, recepten doorgeven, verhalen over grootvaders die ‘al in 1952 verantwoordelijk waren voor de kaasoptocht’. Het is kleinschalig, maar zeker niet kleinzielig.
Geen folklore voor de show
Het gevaar van dit soort festiviteiten is dat ze ‘voor de toeristen’ worden. En ja, in sommige dorpjes is dat aan het gebeuren. Maar de meest bijzondere vieringen vinden plaats ver van de hoofdwegen, in dorpen waar je als buitenstaander eerder een beetje verloren voor je uit staat te kijken—tot iemand je een stuk kaas in de hand duwt.
Daar, achter een geïmproviseerde uiensoepkraam, of voor het verenigingshuis waar teenagers raclette-sandwiches verkopen, ontdek je iets universeels: dat mensen, overal, behoefte hebben aan rituelen die meer betekenen dan ze op het eerste gezicht lijken. En in Frankrijk, in de kou van januari, is dat ritueel soms niets anders dan samen warm worden rond een kaas.